Hoeveel verdienen Nederlandse commerciële banken aan geldschepping?
Wat levert het voorrecht om zelf het betaalmiddel te scheppen banken jaarlijks op?
In het kort:
|
Contant geld in de vorm van bankbiljetten wordt in circulatie gebracht door de Europese Centrale Bank (ECB) en de nationale centrale banken. Munten worden uitgegeven door de lidstaten en in Nederland in omloop gebracht door De Nederlandsche Bank (DNB). Giraal bankgeld (verder bankgeld) wordt in omloop gebracht door Nederlandse banken wanneer zij krediet verstrekken.
Het in Nederland circulerende geld bestaat voor een klein en dalend deel uit contant geld (vermoedelijk 7% of minder), en voor het overige (93% of meer) uit bankgeld. Medio 2025 hielden huishoudens, bedrijven, financiële instellingen en de overheid samen € 1.222 miljard aan tegoeden aan bij Nederlandse banken (1). Daarvan kan € 835 miljard tot bankgeld gerekend worden (zie tabel A).
Geldscheppingswinst
Het in omloop brengen van nieuw geld levert een geldscheppingswinst op. De geldscheppingswinst bij munt- en papiergeld is klassiek bekend onder de naam seigniorage, en is de waarde van het gecreëerde geld in euro’s verminderd met de aanmaakkosten. Tegenwoordig wordt de winst op papiergeld gedefinieerd als de renteopbrengst op de rentedragende bezittingen die tegenover de renteloze schuld van de centrale bank staan.
De Nederlandsche Bank (DNB) ontving in de periode 2002 tot en met 2017 gemiddeld € 770 miljoen per jaar (2) als Nederlands aandeel in het monetaire inkomen van het Eurosysteem. In principe wordt deze winst in de vorm van dividend doorgegeven aan de Staat als enig aandeelhouder van DNB. Helaas voor de Staat lijdt DNB de laatste jaren verlies. Dit verlies is grotendeels het gevolg van het feit dat DNB staatsleningen opkocht die minder rente opbrachten dan de vergoeding die zij hiervoor op de ontstane reserves verstrekte (QE-operaties).
De geldscheppingswinst op nieuw bankgeld
Stichting Ons Geld is in het kader van haar streven naar een geldstelselhervorming al jaren op zoek naar inzicht in de winst die banken maken op de schepping van het bankgeld. Dat kwam in 2016 voor het eerst formeel aan de orde in het Kamerdebat naar aanleiding van het burgerinitiatief van Ons Geld. In een aangenomen motie van de Kamerleden Omtzigt en Merkies (2) werd de regering gevraagd de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) een onderzoek te laten instellen naar het geldstelsel. Een onderdeel van de opdracht was aan te geven hoe groot de geldscheppingswinst van de banken is.
Het betreffende onderzoeksrapport met de titel ‘Geld en Schuld’, verscheen in 2019 (2). In het 300 pagina’s tellende rapport liet de WRR echter na om een raming te geven van de in de motie gevraagde geldscheppingswinst. Dat was geen gevolg van onbekendheid met de rekenmethode daarvoor. In box 4.3 van het rapport (p. 129-130) beschrijft de Raad namelijk de rekenwijze, waarbij de rente op girale tegoeden wordt vergeleken met de rente die banken anders hadden moeten betalen, met bronvermelding naar Bjerg et al. (2017) en Macfarlane et al. (2017).
De WRR noemt vervolgens drie problemen bij de hantering van deze methode:
1 Welke alternatieve rente, met welke looptijd moet je kiezen voor de berekening?
2 Welke kosten moet je in mindering brengen, zoals die van de betaalinfrastructuur?
3 Bij wie komt het uiteindelijke voordeel terecht?
De WRR erkent dat banken financiële voordelen genieten die andere sectoren niet toekomen (par. 4.3.2), zoals de renteaftrek op vreemd vermogen en de btw-vrijstelling, indirecte steun via de hypotheekrenteaftrek en de Nationale Hypotheekgarantie, en de impliciete en expliciete overheidsgaranties, waaronder de depositogarantie. In het WRR-rapport wordt alleen verwezen naar een berekening van het too-big-to-fail-voordeel van de systeembanken, volgens het CPB ongeveer € 2,5 miljard per jaar (p. 131).
De WRR concludeert dat de geldscheppingswinst lastig los te maken is van de totale winst die banken maken, en dat beter gekeken kan worden in hoeverre banken, door hun onmisbare rol of door de sterke concentratie in de sector, een te groot deel van de ‘taart’ krijgen. Een focus op ‘bancaire overwinsten’ acht de Raad daarom logischer (p. 130). Zij geeft daarbij helaas geen inzicht in de omvang van die overwinsten.
Verderop zal blijken dat op elk van de drie bezwaren die de WRR noemt ten aanzien van het berekenen van de geldscheppingswinst een antwoord gegeven kan worden, en dat een berekening wel te maken is. We moeten daarbij beseffen dat hiermee alleen de berekening van het rentevoordeel wordt bepaald. Het zegt niets over de macht die het voorrecht van geldschepping banken geeft om te bepalen wie krediet krijgt en waarvoor. Evenmin zegt het iets over het voordeel van de impliciete staatsgarantie voor banken die te groot zijn om te vallen, of over wat de Staat kwijt is doordat zij zich rentedragend moet financieren. Dat zijn waarschijnlijk grotere bedragen, die elk een eigen artikel verdienen.
In de ‘Ons Geld’-nieuwsbrief van mei 2026 (3) berichtten wij van de brief die wij stuurden aan de Algemene Rekenkamer (AR), waarin wij naast aandacht voor de systeemrisico’s rond het huidige geldstelsel opnieuw de berekening van de geldscheppingswinst van banken aan de orde hebben gesteld. In een gesprek dat wij met hen daarover hadden bleek dat de AR de vormgeving van het geldstelsel als een politieke keuze ziet, en het becijferen van de geldscheppingswinst daarmee niet tot een controletaak van de Rijksfinanciën te rekenen. De AR zegde wel toe de in de brief gesignaleerde financiële risico’s voor de Staat met het Ministerie van Financiën te bespreken.
Hoe scheppen banken nieuw giraal geld?
In 2014 toonde de econoom Richard Werner op basis van een boekhoudkundig onderzoek bij een Duitse bank aan dat de schepping van bankgeld bij de kredietverstrekking plaatsvindt. Bij centrale banken was dit kennelijk altijd al bekend, want de Bank of England zette het in 2014 voor een breed publiek op een rij (4). En ook de in het WRR-rapport ‘Geld en Schuld’ gegeven berekeningswijze gaat hiervan uit.
De kern: nieuw geld (betaalmiddel) ontstaat wanneer een bank in het kader van een kredietverstrekking het kredietbedrag intoetst op de bankrekening van de kredietnemer. Met dit bedrag op zijn bankrekening kan de kredietnemer transacties aangaan met derden. Bij aflossing van het krediet verdwijnt het bedrag weer uit circulatie. Wordt er meer krediet verstrekt dan afgelost dan zwelt de hoeveelheid bankgeld aan. Wordt er meer afgelost dan verstrekt, dan daalt die hoeveelheid weer. Dit nieuwe betaalmiddel, in juridische zin niet meer dan een vordering op de bank, wisselt bij iedere transactie van eigenaar en daarmee vaak ook van bank. De bank- en spaarrekeningen waarop dit geld staat zijn tegelijk financiering voor die bank.
Een financiële instelling zonder bankstatus die kredieten verstrekt, moet daarvoor zijn eigen vermogen aanspreken of vreemd vermogen aantrekken tegen marktrente. Een bank kan voor haar financiering gebruikmaken van de betaalrekeningen en de direct opeisbare tegoeden van het publiek. De geldscheppingswinst in monetaire zin is dus het verschil tussen de kosten die marktpartijen maken voor het aantrekken van financiering, en de vergoeding die banken betalen aan hun rekeninghouders.
Veel mensen die gehoord hebben dat banken bij kredietverlening nieuw geld uit het niets scheppen, gaan er intuïtief vanuit dat de geldscheppingswinst ook op het moment van kredietverlening ontstaat. Dat is dus niet het geval. Het voordeel ontstaat door het aanwenden van tegoeden op betaal- en spaarrekeningen voor de financiering.
Banken zijn de enige instellingen die zich mogen financieren met tegoeden die op elk moment opeisbaar zijn. Dat die tegoeden als geld functioneren, danken zij aan hun toegang tot de centrale bank. Daar verrekenen banken onderling, daar kunnen zij lenen en daar kunnen zij de tegoeden omwisselen in contant geld. De banken hebben met het scheppen van bankgeld in het kader van kredietverlening en het regelen van het betalingsverkeer een betaalmiddelprivilege op bankgeld.
Bij de berekening van de geldscheppingswinst in dit artikel gaan we dus slechts uit van de berekening van het rentevoordeel dat banken hebben ten opzichte van andere marktpartijen, en zien wij af van een discussie over de vraag in welke mate alle andere voordelen die banken hebben samenhangen met dit betaalmiddelprivilege.
De geldscheppingswinst die wij berekenen valt daarom als volgt te definiëren:
Geldscheppingswinst op bankgeld is het rentevoordeel dat banken genieten doordat zij zich kunnen financieren met het betaalmiddel dat zij zelf scheppen
Ter verdere verduidelijking van het voordeel nog het volgende:
- De geldscheppingswinst in enig jaar wordt niet bepaald door de hoeveelheid in dat jaar uitgegeven nieuw krediet minus de afgeloste schulden (de aanwas), maar door de totale hoeveelheid bankgeld op rekeningen van Nederlandse banken (de voorraad), en het rentevoordeel dat daarmee wordt behaald.
- De vergoeding die banken betalen aan klanten over banksaldo’s verschilt naar soort rekening: op betaalrekeningen is de vergoeding meestal nul, op spaarrekeningen wordt al naargelang de looptijd een lage tot een iets hogere rente gegeven. Op de tegoeden van financiële marktpartijen is de vergoeding meestal nagenoeg gelijk aan de marktrente. Daarop wordt dus niet of nauwelijks verdiend.
- Deze geldscheppingswinst wordt dus niet bepaald door de rente-inkomsten die banken ontvangen op verstrekte kredieten zoals hypotheken, zoals velen denken.
- Het hier beschreven geldscheppingsproces is enigszins gestileerd. De werkelijkheid is gecompliceerder. Deze complicaties hebben echter geen effect op de berekening van het voordeel dat banken op hun privilege hebben. Want voor die berekening is de hoeveelheid bankgeld op rekeningen, en het daaruit voortvloeiende rentevoordeel, bepalend.
En waar slaat dat geldscheppingsvoordeel neer?
Bij geldscheppingswinst gaat het om een voordeel dat het bankwezen als geheel behaalt op betaalrekeningen en direct opvraagbare spaarrekeningen van rekeninghouders.
Verhuist een saldo door transacties van burgers van de ene bank naar de andere, dan verschuift het voordeel mee. Hoe meer goedkope financiering een bank weet te verwerven, hoe groter haar aandeel is in de totale geldscheppingswinst.
Er zijn in Nederland ongeveer 20 banken actief met een bankvergunning. De hoeveelheid geld op betaalrekeningen en direct opvraagbare spaartegoeden bedroeg medio 2025 € 538 miljard (zie tabel A: betaalrekeningen € 109 miljard plus direct opvraagbaar spaargeld huishoudens € 429 miljard). Rabobank rapporteert een marktaandeel van 35,7% en ASN Bank (voorheen de Volksbank) 8,9%. ING en ABN AMRO publiceren helaas geen Nederlands marktaandeel. De ACM schat echter dat deze vier partijen samen een marktaandeel hebben van 90 à 95% (5).
Omdat de grootbanken zich een lagere rentevergoeding op spaargeld kunnen veroorloven dan kleinere banken of buitenlandse aanbieders, gaat een nog groter deel van de geldscheppingswinst dan deze 90-95% naar de vier grootbanken. Dit ‘walvis’-effect zou een extra drijfveer kunnen zijn achter het streven naar schaalvergroting binnen het bankwezen. Kleine banken die bij kredietverstrekking geld scheppen zien van de geldscheppingswinst zelf dus relatief weinig terug.
De berekening van de geldscheppingswinst van de Nederlandse banken
Omdat noch de WRR noch de AR op de vraag over geldscheppingswinst zijn ingegaan, hebben wij bekeken welke informatie banken zelf over hun winst op geldschepping hebben verstrekt. Je komt dan al snel terecht bij de voormalige hoofdeconoom van de Rabobank Wim Boonstra. In zijn publicatie “Hoe werkt Geldschepping?” (versie van 2021)(6) erkent Boonstra het rentevoordeel maar geeft hij geen berekening van de geldscheppingswinst. We hebben evenmin andere bronnen kunnen vinden waarin een poging wordt gedaan die berekening te maken op basis van de in het WRR-rapport genoemde berekeningsmethode. Daarom hebben wij deze berekening zelf ter hand genomen.
De omvang van deze geldscheppingswinst hangt voornamelijk af van de ‘marktrente’ die je in de berekening hanteert. In de literatuur (7) wordt voor een voorzichtige schatting uitgegaan van de ECB-depositofaciliteit (Deposit Facility Rate, of afgekort DFR). De DFR is de rente die de ECB betaalt aan commerciële banken wanneer die geld voor één nacht bij de centrale bank stallen. De DFR is daarmee de bodem van de euro geldmarkt, en wordt vaak bedoeld als gesproken wordt over de ‘beleidsrente’. In deze rente valt samen wat een bank risicovrij kan verdienen door liquiditeit bij de centrale bank te parkeren of wat zij zelf ten minste voor korte financiering moet betalen.
Er zijn ook wetenschappers die vinden dat je moet uitgaan van de rente die banken betalen bij uitgifte van obligaties (7). De centrale bank maakt immers deel uit van het bankenstelsel; de DFR zien zij daarom niet als een onafhankelijke, door de markt bepaalde grootheid.
Ook de banken zelf rekenen met een langere looptijd. In hun interne waardering behandelen zij de saldi op betaal- en spaarrekeningen als stabiele financiering die gemiddeld 6,2 jaar blijft staan (8). In 2021 waardeerden zij die saldi op die manier tegen gemiddeld 0,53%, ruim een procentpunt boven de toenmalige DFR van −0,50%. Bij een lage of stabiele rente komt deze methode dus uit op een hógere geldscheppingswinst dan de DFR. Bij een snelle renteverhoging, zoals in 2022–2023, loopt zo’n langjarige waardering juist achter de beleidsrente aan.|
Wij gaan in onze berekening uit van de DFR. Bij een lage of normale rente is dat de voorzichtigste keuze. Het 4%-scenario moet worden gelezen als de geldscheppingswinst bij een aanhoudende beleidsrente van 4%. In werkelijkheid stond de DFR maar negen maanden op dat niveau.
De ‘standen’ zijn de saldi op de rekeningen op genoemde data. Voor de berekening zelf nemen we alleen de tegoeden van de eerste drie rijen mee als tegoeden die ook als ‘bankgeld’ functioneren. Termijndeposito’s nemen wij in dat kader dus niet meer mee.
Tabel A: Berekening van de bruto geldscheppingswinst bij een DFR van 2% resp. 4%
| Stand 30/6/25 € mrd |
Rente medio 2025 |
Rente verschil bij DFR 2% |
Voordeel € mrd |
Stand 31/12/23 € mrd |
Rente sep ’23 – mei ’24 |
Rente verschil bij DFR 4% |
Voordeel € mrd |
|
| Betaalrekeningen huishoudens |
109 | 0,00% | 2,0% | 2,2 | 118 | 0,00% | 4,00% | 4,7 |
| Direct opvraagbaar spaargeld | 429 | 1,36% | 0,64% | 2,7 | 379 | 1,58% | 2,42% | 9,2 |
| Niet-financiële bedrijven | 297 | 0,97% | 1,03% | 3,1 | 277 | 1,47% | 2,53% | 7,0 |
| Termijndeposito’s huishoudens en bedrijven |
126 | 118 | ||||||
| Financiële instellingen en overheid | 261 | 240 | ||||||
| TOTAAL | 1.222 | 8,0 € mrd |
1.132 | 20,9 € mrd |
Ter toelichting op de gehanteerde cijfers het volgende:
- Onder financiële instellingen verstaan we hier alle financiële partijen behalve de banken zelf: pensioenfondsen, verzekeraars, beleggingsfondsen en overige financiële bedrijven zoals vermogensbeheerders en de financieringsmaatschappijen van grote concerns. In dit bedrag is ook het tegoed van de overheid opgenomen.
- De vermelde spaargeldpercentages zijn afkomstig van DNB (9): op direct opvraagbaar spaargeld publiceert DNB een volume gewogen gemiddelde van 1,36% medio 2025 en van 1,58% over september 2023 – mei 2024.
- Voor de niet-financiële bedrijven zijn de girale deposito’s en de deposito’s met opzegtermijn meegenomen, met hun volumes gewogen tot één tarief: 0,97 % (2025) respectievelijk 1,47% (sept 2023 – mei 2024) (9).
De op deze manier berekende bruto geldscheppingswinst ligt dus tussen de € 8 en € 21 miljard per jaar, voornamelijk afhankelijk van de op dat moment geldende beleidsrente. Naast de DFR heeft ook vooral de vergoeding op spaargeld invloed op de uitkomst.
Welke kosten gaan van de bruto geldscheppingswinst af?
Voor aftrek komen in aanmerking kosten die zouden verdwijnen als de banken zich volledig zouden financieren tegen de marktrente. Het regelen van bijvoorbeeld het betalingsverkeer is in dat geval niet aan de orde. Wij identificeren op basis van dat criterium drie kostenposten, namelijk het betalingsverkeer, de depositogarantie en de verplichte reserve, voor zover deze laatste renteloos is. De algemene bedrijfskosten en de kredietrisico-kosten nemen wij niet mee omdat zij onder het normale bankbedrijf vallen.
Betalingsverkeer
McKinsey onderzocht in 2022, in opdracht van Betaalvereniging Nederland, de kosten en baten van het betalingsverkeer over het referentiejaar 2021 (8). De operationele kosten waren dat jaar € 4,23 miljard, waarvan rekeninghouders € 2,02 miljard mee betaalden via tarieven. De niet door tarieven gedekte kosten, ongeveer € 2,2 miljard in 2021, waren de kosten die de banken maakten. Omdat meer recente gegevens daarover niet beschikbaar zijn gaan wij voor een schatting uit van een voor inflatie en volumegroei sinds 2021 opgehoogd bedrag tot circa € 2,7 miljard als kostenpost voor de jaren 2023 tot en met 2025.
Depositogarantie
Op 30 september 2025 viel een bedrag van € 637 miljard aan tegoeden onder het wettelijk geregelde depositogarantiestelsel (DGS) (10). Als tijdens een economische crisis banken failliet gaan dan worden volgens de afspraken in het DGS de saldi tot een bedrag van maximaal € 100.000 per klant per bank gegarandeerd. Daarvoor is een depositogarantiefonds opgericht waarin banken geld storten en waarmee tot 0,8% (ongeveer € 5 miljard) van de gedekte deposito’s kan worden vergoed.
Voor de grote systeembanken is het DGS-fonds niet groot genoeg en treedt bij dreigend omvallen een resolutiemechanisme in werking waarbij eerst de aandeelhouders en schuldeisers van de bank zelf worden aangesproken, en daarna een door de banken gevuld Europees afwikkelingsfonds. Voor zover dat niet lukt ligt het uiteindelijke risico bij de Staat, en daarmee de belastingbetaler.
Het DGS-fonds bereikte in het tweede kwartaal van 2024 zijn beoogde omvang. Voor de periode tot medio 2024, toen er nog in het fonds werd gestort, schatten wij het bedrag aan stortingen op ongeveer € 0,6 miljard per jaar. In 2025 is de kostenpost dus vrijwel nul.
Het DGS verlaagt de vergoeding op spaarrekeningen omdat de consument deze garantie verkiest boven een hogere vergoeding met meer risico elders. Ook de fiscale voorkeursbehandeling van spaartegoeden ten opzichte van beleggingen in box 3 draagt daaraan bij. Het vangnet dat de Staat hier biedt kan daarom gezien worden als een indirecte subsidie aan de banken. Bij de in 2012 ingestelde bankenbelasting erkent de Staat dit voordeel ook door aan te geven dat het hoofddoel van deze belasting is die impliciete garantie door middel van een heffing van een prijs te voorzien.
Omdat wij het voordeel van de staatsgarantie in deze berekening buiten beschouwing laten lijkt het juist om ook de bankenbelasting van € 617 miljoen per jaar niet in de berekening mee te nemen als kostenpost.
Verplichte reserve
Banken moeten 1% van hun tegoeden met een looptijd tot twee jaar als reserve bij de centrale bank aanhouden, ongeveer € 8,8 miljard. Dat geld is niet geblokkeerd. Deze reserve hoeft alleen gemiddeld over een aanhoudingsperiode aanwezig te zijn. Maar sinds 20 september 2023 vergoedt de ECB over dit verplichte deel 0%, terwijl overtollige reserves de DFR opleveren. Een kredietverstrekker zonder bankstatus heeft deze verplichting niet. De gederfde rente op het renteloze verplichte deel is dus een kostenpost van het bankgeld: bij een DFR van 2% ongeveer € 0,2 miljard, bij 4% ongeveer € 0,4 miljard.
Tabel B: Netto geldscheppingswinst banken bij DFR van 2% resp. 4%
| Bedragen in miljarden euro’s per jaar | medio 2025 (DFR 2%) |
sep 2023 – mei 2024 (DFR 4%) |
| Bruto geldscheppingswinst | 8,0 | 20,9 |
| Betalingsverkeer (niet door tarieven gedekt) | -2,7 | -2,7 |
| Depositogarantie | 0,0 | -0,6 |
| Verplichte reserve (gederfde rente) | -0,2 | -0,4 |
| Netto geldscheppingswinst | 5,1 | 17,2 |
Afhankelijk van het actuele monetaire beleid varieert de netto geldscheppingswinst in de periode 2023–2025 dus afgerond tussen de € 5 en € 17 miljard per jaar.
Hoe verhoudt deze berekening zich tot de totale bankwinst?
Het Nederlandse bankwezen maakte in de jaren 2023, 2024 en 2025 een winst van € 18 tot € 20 miljard per jaar voor belasting, bij netto rentebaten van ongeveer € 40 miljard (11). Bedacht moet worden dat in deze cijfers ook de buitenlandse activiteiten van ING, Rabobank en ABN Amro verwerkt zijn, terwijl onze berekening alleen betrekking heeft op bankgeld op Nederlandse rekeningen.
De bruto geldscheppingswinst voor de banken, die wij berekend hebben op € 8 miljard bij een beleidsrente van 2% en € 20,9 miljard bij 4%, zit impliciet verwerkt in de netto rentebaten van de circa € 40 miljard, maar is daar niet zichtbaar als afzonderlijke inkomstenpost. Deze vergelijking dient om te laten zien dat het bedrag in orde van grootte kan kloppen, niet om daarmee te zeggen dat dit voordeel ook als winst wordt uitgekeerd. Want waar het voordeel uiteindelijk neerslaat is nog een afzonderlijke vraag.
Wat doen de banken met die geldscheppingswinst?
Een voordeel van zelfs deze omvang hoeft niet als zodanig als winst zichtbaar te worden in de boekhouding. Voor de boekhouders onder u: de geldscheppingswinst zit verscholen in de passivazijde van de balans. Het kan even goed weglekken in hogere kosten zoals salarissen, bonussen, een ruimere bedrijfsvoering, of bij kredietverstrekking worden weggegeven in de vorm van een lagere hypotheekrente. Dat maakt het voordeel moeilijk te traceren. Wie het dus in de winstcijfers zoekt zal het niet vinden en ten onrechte tot de conclusie komen dat die geldscheppingswinst niet bestaat.
Zo goed als zeker wordt een deel van dit voordeel gebruikt om in concurrentie met niet-bancaire kredietverstrekkers de hypotheekrente te verlagen om daarmee een groter marktaandeel te verwerven. Een recente publicatie van de Hypotheekshop lijkt dat te bevestigen (12).
Vragen die een antwoord verdienen
Tot zover het resultaat van onze ruwe berekeningen op basis van de in het WRR-rapport ‘Geld en Schuld’ gegeven berekeningswijze. Het is een eerlijke poging om achter de waarheid te komen nu de WRR en de AR het hebben laten afweten, en de commerciële banken om begrijpelijke redenen niet staan te trappelen om hierover zelf informatie te verstrekken.
De maatschappij heeft naar ons oordeel recht op dit inzicht. Bij het verstrekken van bankvergunningen werd nooit stilgestaan bij de waarde van het voorrecht dat banken met die vergunning werd verleend. En ook niet bij het feit dat de vier grootbanken met hun grote klantenbestanden met betrekking tot de direct opvraagbare tegoeden nagenoeg de hele geldscheppingswinst van de sector voor hun rekening nemen.
Wij nodigen zowel de WRR als de banken uit om een reactie te geven op deze berekening.
Aan de politiek stellen wij de vraag of het geven van dit voordeel aan de banken wel wenselijk is. De overheid zou ten minste moeten zorgen voor gelijke concurrentieverhoudingen op de kredietmarkt. Ons Geld vindt echter dat de uitgifte van geld en het verstrekken van kredieten volledig van elkaar gescheiden moeten worden, en dat de voordelen van geldschepping de maatschappij als geheel ten goede moeten komen.
Gerrit van Malkenhorst – 27 oktober 2026
______________________________________________________________________
(1) Het bedrag van afgerond € 1.222 miljard omvat alle deposito’s die Nederlandse ingezetenen niet-banken ultimo juni 2025 aanhouden bij in Nederland gevestigde banken.
Zie data.ecb.europa.eu/data/datasets/BSI/BSI.M.NL.N.A.L20.A.1.U6.2000.Z01.E, en selecteer een periode waarin juni 2025 valt.
(2) WRR-rapport Geld en Schuld: https://www.wrr.nl/documenten/2019/01/17/geld-en-schuld—de-publieke-rol-van-banken; pagina 129 – 131; pag. 30; De motie van Omtzigt en Merkies is te vinden in bijlage I (pagina 250)
(3) Nieuwsbrief 055: https://onsgeld.nu/brief-voor-rekenkamer-aandacht-voor-rol-geldsysteem/
(4) McLeay, M., A. Radia en R. Thomas (2014), ‘Money creation in the modern economy’, Bank of England Quarterly Bulletin 2014 bankofengland.co.uk/quarterly-bulletin/2014/q1/money-creation-in-the-modern-economy
(5) Autoriteit Consument & Markt, Concurrentie op de Nederlandse spaarmarkt https://www.acm.nl/nl/publicaties/consultatie-marktonderzoek-naar-werking-nederlandse-spaarmarkt
(6) Wim Boonstra: Hoe werkt Geldschepping? https://www.rabobank.nl/kennis/d011184379-hoe-werkt-geldschepping
(7) Voor de methode (deposit spread = geldscheppingswinst):
– Drechsler, Savov & Schnabl (2017), The Deposits Channel of Monetary Policy, Quarterly Journal of Economics 132
– Bjerg e.a., Seigniorage in the 21st Century (Copenhagen Business School / New Economics Foundation, working paper 2017).
– Commercial bank seigniorage and the macroeconomy, International Review of Financial Analysis (2021)
(8) McKinsey & Company, Onderzoek naar de kosten en baten van het betalingsverkeer voor financiële instellingen 2021, uitgevoerd in opdracht van Betaalvereniging Nederland, Amsterdam, oktober 2022.
(9) De Nederlandsche Bank, rentestatistiek banken (uitstaande bedragen), maandcijfers: tabel 5.2.7.1 Deposito’s en leningen van MFI’s aan huishoudens, rentepercentages (deposito’s met opzegtermijn), en tabel 5.2.7.3 Deposito’s en leningen van MFI’s aan niet-financiële bedrijven, rentepercentages. Het tarief voor bedrijven is gewogen met de volumes uit tabel 5.2.7.2 en 5.2.7.4. “Medio 2025” is juni 2025; voor september 2023 – mei 2024 is het gemiddelde van de maandcijfers genomen. Zie dnb.nl/statistieken/data-zoeken.
(10) De Nederlandsche Bank, “Depositogarantiefonds bereikt doelomvang van 0,8% aan gegarandeerde deposito’s”, 3 juli 2024. Per 30 september 2025 bedroegen de gedekte deposito’s € 637 miljard (Jaarverslag Depositogarantiefonds 2025, p. 5).
(11) DNB Statistiek, tabel 5.7 Baten en lasten van Nederlands bankwezen (geconsolideerd).
(12) De Hypotheekshop, margeanalyse, via InFinance, 13 en 16 juli 2026. https://www.hypotheekshop.nl/blog/draaien-geldverstrekkers-verlies-op-hypotheken/
Bij de vergaring van informatie voor het schrijven van dit artikel is gebruik gemaakt van AI


