Inflatie

Sinds private banken het recht van geldschepping hebben verworven, is de inflatie enorm. Als we kijken naar het prijsniveau in 1950 en we vergelijken dat met de huidige prijzen voor dezelfde goederen, dan zijn de prijzen gestegen met 881%. Een product dat 1 gulden kostte in 1950, kost nu 8,81 gulden (indien de gulden nog zou bestaan). Men kan ook stellen dat elke 50 eurocent, ongeveer te vergelijken met de gulden uit 1950, nu niet veel meer waard is dan de vroegere 4 cent, nog minder dan een stuiver dus. Nu valt deze monetaire inflatie op munten nog in het niet in vergelijking met de inflatie (=prijsstijging) van de huizenprijzen. Stel in 1950 kocht je een huis voor € 100.000,-, dan zou je het nu voor € 881.170,- kunnen verkopen (zie ook bijgevoegde clip voor uitleg).

Samenvattend, inflatie is een stijging van het algemene prijspeil. Of de oorzaak van inflatie ligt in veranderingen van de vraag, of de oorzaak ligt in veranderingen van het aanbod. Deze twee oorzaken worden met onderstaand voorbeeld geïllustreerd.

Voorbeeld

Stel je voor, dat jij samen met Robinson Crusoe zou leven op, wat voordien, een onbewoond eiland was. Jij hebt in een ijverige bui alle kokosnoten op het eiland verzameld en jij bent bereid om kokosnoten aan Robinson Crusoe te verkopen in ruil voor een bepaald type schelp. Robinson lust wel enkele kokosnoten en gaat heel de dag op zoek naar die schelpen. Aan het einde van de dag is Crusoe erin geslaagd om 100 van dergelijke schelpen te vinden. Uitwisseling vindt plaats tussen schelpen en kokosnoten. Stel dat er op heel het eiland 10 kokosnoten aanwezig waren en Robinson heeft 100 schelpen gevonden, dan komt de prijs van een kokosnoot neer op 10 schelpen per kokosnoot.

Echter, als er slechts 5 kokosnoten waren geweest, dan is de prijsverhouding anders. 100 schelpen op 5 kokosnoten betekent een prijs van 1 op 20 (20 schelpen voor één kokosnoot).

Als, aan de andere kant Crusoe 1000 schelpen gevonden had en hij had deze verhandeld ze met jou voor 10 kokosnoten, dan is de prijs per kokosnoot gelijk aan 100 schelpen per kokosnoot.

Natuurlijk is dit een enorme vereenvoudiging van hoe veranderingen in vraag en aanbod uiteindelijk leiden tot een prijsverandering. Er zijn in dit voorbeeld geen kosten, lonen, productie, banken, overheid, andere goederen, bedrijven enz. Echter, als dit voorbeeld duidelijk is, gaan we eens kijken naar de bijdrage van banken aan inflatie.

Economen willen stijging van de inflatie graag uitgesplitst zien in losse onderdelen – in het bijzonder tussen de verhogingen van de prijzen van algemene dagelijkse goederen (consumentengoederen) en de stijging van de prijs van financiële activa (woningen, aandelen, obligaties, enz.). Wij doen iets dergelijks hier.

Effect van het geldschepping op de inflatie

Wanneer banken geld uitlenen aan bijvoorbeeld particulieren, dan creëren ze nieuw ‘geld' voor degenen die de lening ontvangen. Hierdoor neemt de koopkracht in de economie toe. Kijken we nog even naar het voorbeeld van Robinson Crusoë, waarin de koopkrachtstijging gelijk is aan de toename van het aantal schelpen, waardoor uiteindelijk de prijs van kokosnoten ook stijgt. In de echte wereld dingen verloopt geldschepping iets gecompliceerder. Het draait dan meer om het doel waar geld voor geschapen wordt. We onderscheiden er drie:

Consumptief krediet Krediet om te investeren Financiële kredieten Hieronder zullen deze drie kort besproken worden.

1. consumptief krediet

Wanneer banken geld uitlenen aan consument (bijvoorbeeld door middel van persoonlijke leningen of creditcards), die er consumptiegoederen voor willen kopen, dan vergroot de koopkracht in de economie, zonder dat dat bedrag aan beschikbare goederen toeneemt. De vraag neemt toe en het aanbod blijft gelijk. In de situatie op het eiland van Robinson Crusoë betekent dit dat de schelpen toenemen zonder dat de voorraad kokosnoten toeneemt. Een ander voorbeeld illustreert wat er in de echte economie gebeurt in een dergelijke situatie. Stel dat alle machines in de economie volledig benut worden (de productiecapaciteit, de kokosnoten, is maximaal). Een toename van de geldhoeveelheid, door extra kredietverstrekking, zal dan resulteren in een grotere koopkracht, waardoor de vraag naar goederen toeneemt. Als de productie dan constant blijft, zal de vraag het aanbod overtreffen, met stijgende prijzen (inflatie dus) als gevolg, omdat producenten geen mogelijkheid zien om op korte termijn meer te produceren. Als de economie bijna op zijn volle kracht werkt, (dat wil zeggen: een lage werkloosheid, met behulp van alle beschikbare middelen, enz.) dan zal dit waarschijnlijk leiden tot hogere prijzen, omdat er geen manier is om de productie verder te verhogen.

Als de economie niet aan haar maximale productiecapaciteit zit, dan kunnen producenten bij een toenemende vraag van consumenten, de productie enigszins opvoeren om aan de toegenomen vraag te kunnen voldoen. In het Robinson Crusoë-voorbeeld zou dit betekenen dat Robinson meer schelpen vindt, wat jou dan weer aanmoedigt om toch maar meer kokosnoten te vinden.

2. investering

Banken kunnen er ook voor kiezen om geld te creëren via leningen aan bedrijven. Dit noemen wij investeringen. Investeringen verhogen het aantal goederen, welke geproduceerd kunnen worden. In het Crusoë-voorbeeld zullen we bij een verhoging van het aanbod zien dat de prijzen zakken omdat de rest gelijk blijft. Toegegeven, investeringen in de reële wereld verlopen complexer. Ook het effect van investeringen op productie en de prijzen hangt af van de economische situatie ten opzichte van de maximaal mogelijke productie..

We gaan nu uit van een situatie waarbij de economie die op volle capaciteit draait. Bedrijven zouden wel meer willen produceren, maar dan dienen eerst machines besteld, gemaakt en geleverd te worden. Het spreekt voor zich dat dit niet op korte termijn opgelost kan worden. In deze situatie zullen bedrijven geneigd zijn om flink te lenen om te investeren. De vraag naar machines neemt dan toe. Hierdoor zal ook de prijs van die machines kunnen stijgen, namelijk door de toegenomen vraag bij een gelijkblijvend aanbod (dit is net als in het voorbeeld waar Crusoe meer schelpen voor hetzelfde aantal kokosnoten bood). Deze verhoging van de prijs van de machines leidt tot een toename van kosten voor bedrijven. Omdat bedrijven hun winstverwachting niet graag bijstellen, zal de prijs die de consument betaald stijgen, doordat toegenomen kosten aan de consument doorberekend worden in de vorm van hogere prijzen.

Aan de andere kant hoeft de investering niet in een nieuwe machine geïnvesteerd te worden, maar kan ook in onderzoek en ontwikkeling geïnvesteerd worden. Ook door deze investering kan het aantal goederen en diensten, dat met hetzelfde aantal machines geproduceerd wordt, toenemen; denk aan het internet, of de productielijnen zoals geïntroduceerd door Henry Ford, enz. Als deze vorm van investering plaatsvindt, dan is het mogelijk dat investeringen plaatsvinden in een economie op zonder dat er een inflatoir effect optreedt.

3. financiële activa

Banken kunnen er ook voor kiezen om geld te uit te lenen voor de aankoop van financiële activa. Dit geldt voor bijvoorbeeld hypothecaire leningen. Omdat het aanbod van financiële activa, zoals huisvesting, niet vraag-gevoelig is, blijft de vraag naar woonruimte over het algemeen redelijk stabiel. Met andere woorden, het effect van de kredietverlening aan de financiële activa, vergroot de vraag naar huizen, en daarmee wordt de prijs flink opgedreven. Denk nog maar eens terug aan het voorbeeld van Robinson Crusoë, die meer schelpen zocht, terwijl het aantal kokosnoten gelijk bleef. De algemene conclusie luidt dan dat lenen van geld voor de aankoop van activa resulteert in inflatie van diezelfde activa.

Inflatie van bezittingen kan uiteindelijk ook leiden tot inflatie van de consumentenprijzen. In het geval dat de prijs van woningen stijgt, gaan werknemers vragen om hogere lonen, zodat hun koopkracht constant blijft. Als bedrijven die hogere salarissen dan doorberekenen in hun verkoopprijzen, dan zullen die ook weer stijgen. Als mensen de hogere waarde van hun huis te gelde willen maken, om hun voorzieningenniveau te vergroten door consumptiegoederen en-diensten te kopen, dan zullen ze de meerwaarde van hun huis in geld om laten zetten. Ze betalen echter nog steeds rente over het bedrag dat zij aan meerwaarde opgenomen hebben bij de bank. Daarom is deze situatie vergelijkbaar met een consumptief krediet, waarbij eveneens rente afgedragen moet worden over de opgenomen som geld. Een ander neveneffect van gestegen huizenprijzen is een euforiegevoel. Door de stijging van de prijzen van activa voelen mensen zich rijker, waardoor mensen meer spaargeld uitgeven en dus meer zullen consumeren.

Allocatie van krediet door private banken

Deze grafiek toont de allocatie van het krediet in Nederland sinds 1990. Hierbij valt de enorme toename van hypothecaire leningen op. Opmerkelijk is tevens dat de kredietverlening aan bedrijven drastisch is afgenomen. Ofwel er wordt relatief steeds minder geld gecreëerd voor productieverhogende activiteiten. Deze allocatie van krediet door private banken heeft geleid tot inflatie.