Achtergronden

Overzicht
De aard van geld
Lessen uit verleden
Geldschepping & Marktwerking

Kernpunten

De problemen van ons geldstelsel zijn terug te voeren op gebruik van geldvorderingen als geld. 

  • 1

    Een publiek geldstelsel gebaseerd op schuldvrij geld (fysiek en digitaal contant geld).

  • 2

    De overheid neemt volledige controle over fysieke en digitale belichaming van de algemene waarde eenheid.

  • 3

    De overheid stopt met alle steun aan andere geldsoorten. 

  • 4

    De overheid stopt met alle steun aan financiele instellingen.

Ons geldsysteem is niet meer van deze tijd. Het is instabiel, vergroot ongelijkheid, overlaadt de samenleving met schulden en ondermijnt de leefbaarheid van onze planeet. Ons geldstelsel is toe aan modernisering.

Introductie

Sinds de crisis is veel gesleuteld aan het financiële stelsel. Door symboolpolitiek en symptoombestrijding is dit stelsel wel complexer, maar niet beter geworden. Ongelijkheid groeit als nooit tevoren, de instabiliteit is onverminderd, de bestuurbaarheid twijfelachtig en het eigenlijke probleem wordt genegeerd. Door deze politiek, is een volgende bankencrises geen kans, maar zekerheid.

Ons geldstelsel is nu gebaseerd op geldtegoeden. Geld dat wij tegoed hebben van de bank. Het geld om al deze tegoeden tegelijk te voldoen bestaat echter niet. Wij hebben geen geld op de bank, maar geldvorderingen op de bank, waarbij wij weten dat de banken die vorderingen eigenlijk niet kunnen voldoen. Dat is de wankele basis van het huidige geldsysteem.

Digitaal chartaal geld

Ons Geld wil dat de overheid het geldsysteem solide maakt, door het geld dat de banken aan ons verschuldigd zijn, alsnog te creëren. Dit in de vorm van “digitaal chartaal geld”. Dit geeft de zekerheid van contant geld (munten en biljetten) en het gemak van bankgeld. Wij kunnen ons geldtegoed dan opnemen van de bank en bewaren in een “digitale kluis”. Het staat dan niet meer op de bankbalans. Bijzondere regels voor banken kunnen dan vervallen. Voor banken gelden dan dezelfde regels als voor iedereen, en dezelfde procedures in geval van faillissement. Dat komt de marktwerking ten goede en maakt financieel toezicht veel eenvoudiger, wat de banken verlost van verstikkende regels.

Nadelen van bankgeld

Gebruik van bankgeld heeft grote nadelen. Het stelt de geldomloop bloot aan risico’s, vergroot maatschappelijke ongelijkheid, vervalst de concurrentie, belast ons met onnodige schulden en onderwerpt ons en onze planeet aan commerciële exploitatie. In het kader van burgerinitiatief Ons Geld hebben wij dat voor de Tweede Kamer uiteengezet en de wetgever opgeroepen haar grondwettelijke monetaire verantwoordelijkheid te gaan nemen. Het bankgeldstelsel ondermijnt onze samenleving, onze democratie en de leefbaarheid van onze planeet.

Gebruik van bankgeld is onnatuurlijk. De waarde ervan is afhankelijk van de conditie van de bank, en de waarde van zijn bezittingen. Die verschillen dagelijks, waardoor de eigenlijke waarde van ons geldtegoed bij de bank ook dagelijks verschilt. Dat is niet handig voor een geldstelsel. Je wilt kunnen vertrouwen op je geld, en zeker weten dat het morgen dezelfde waarde heeft. De overheid zorgt daarvoor met speciale regels voor banken die zorgen dat wij de risico’s waaraan onze geldtegoeden bloot staan niet kennen. Dit blokkeert de marktwerking en geeft banken gelegenheid zich goedkoop te financieren, en hun risico’s op de samenleving af te wentelen.

Waarom doet de overheid dit?

Door bankgeld werd betaling over afstand mogelijk. Contante betaling vergde overdracht van een stoffelijk object: een munt of een biljet. Dat gaat prima als betaler en ontvanger in dezelfde ruimte zijn. Maar wat als de één in Amsterdam zit, en de ander in Maastricht? Daarvoor brachten banken uitkomst. Zij creëerden een betaalstelsel op basis van onderlinge verrekening. Betaling kan dan geschieden door overdracht van informatie, zonder overdracht van enig object. Keerzijde hiervan is dat het de geldomloop bloot stelt aan de risico’s van het bankbedrijf, en onderwerpt aan commerciële exploitatie. Het gemak van betaling over afstand heeft een hoge prijs: een gammel geldstelsel dat de samenleving bedrukt, en niet werkt voor iedereen.

Dat is niet meer nodig!

Met een digitale variant van contant geld wordt betaling over afstand ook mogelijk, zonder betrokkenheid van banken. Betaling vindt dan niet plaats door overdracht van een stoffelijk, maar van een onstoffelijk object: digitaal chartaal geld. Toegepast op de Eurozone hebben we het dan over de virtuele euro: De digitale variant van de fysieke euro, uit te geven door een nieuw op te richten Europese Monetaire Autoriteit, die geen bank is. Elk eigen belang bij geldschepping wordt haar onthouden. Ze vormt een onafhankelijke ‘vierde macht’, die als nieuw staatsorgaan naast de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht komt te staan, en wordt gebonden door degelijke juridische kaders die borgen dat de geldmacht niet wordt misbruikt. Anders dan de centrale banken, komt de Monetaire Autoriteit los te staan van de financiële markten. Zo kan ze volledig transparant opereren, en maatschappelijke verantwoording afleggen, zoals dat in een democratie betaamt.

De diensten van de centrale bank aan het bankwezen worden dan beëindigd of geprivatiseerd. Voor het virtuele geldstelsel zijn ze overbodig. Het bankentoezicht kan worden omgevormd, en ondergebracht bij de AFM, die toezicht houdt zonder zelf actief betrokken te zijn in het commerciële bankbedrijf. De toezichthouder bepaalt dan niet meer of het verantwoord is geld uit te lenen aan een bank. De markt gaat dat doen. De toezichthouder zorgt daartoe dat banken openheid geven over wat ze van plan zijn met geleend geld te gaan doen. Geld lenen van het publiek zonder deugdelijk prospectus wordt ook voor banken verboden.

Schuldvermindering

De virtuele euro dient niet ter vervanging van fysiek contant geld. Dat kan blijven bestaan. Het dient wel ter vervanging van bankgeld, en voor afbetaling van de “systeemschuld”. De systeemschuld betreft de huidige geldomloop, die wordt geleend van de banken en met rente is belast. Wij willen de banken dit geld teruggeven zodra we het niet meer nodig hebben, door invoering van de virtuele euro. Dat vermindert het algehele schuldniveau in de samenleving. Voor Nederland rekenen we op een schuldvermindering tot ca 700 miljard Euro, en voor de Eurozone tot ca 10.000 miljard. Het gaat daarbij om vermindering van zowel publieke als private schulden.

Deze schuldvermindering geschiedt door afbetaling, niet door afschrijving. Dit op basis van de opbrengst die genoten wordt uit schepping van virtuele euro's ter vervanging van bankgeld. Hoe dit in elkaar zit leggen we uit in ‘Deleverage without a crunch’. Zowel de Noordelijke als de Zuidelijke lidstaten en hun burgers profiteren daarvan. Schuld gerelateerde spanningen binnen de samenleving en de Eurozone worden weggenomen, wat ruimte geeft voor opbouw en integratie, in plaats van afbraak en vreemdelingenhaat.

Ontwerp van de virtuele euro

Het virtuele geldstelsel moet nog worden ontworpen. Dat vergt dat we gaan bepalen aan welke eisen het moet voldoen. Ons toekomstige geldsysteem is geen vast gegeven dat door traditie is aangereikt. We kunnen verder kijken dan de symptomen en gebreken van het bankgeldsysteem, en de vraag stellen hoe we willen dat ons geldstelsel eruit komt te zien. Willen we het net zo oneerlijk, complex, gammel en onbestuurbaar als nu? Of zien we kans voor verbetering? Wij zien die kans, vooral omdat je virtuele euro geen rentedragend geldtegoed is, maar je renteloos geldbezit. Je bank kan failliet gaan, maar sleept jouw virtuele euro’s niet mee in zijn val.

Nieuw monetair management

Besturing van het geldstelsel kan sterk worden verbeterd. Dat stelsel wordt nu gestuurd door commerciële belangen, ondersteund door de centrale bank. Het maatschappelijk belang is ondergeschikt. In ons virtuele euro systeem wordt dat omgekeerd. Het maatschappelijke belang van de geldomloop komt voorop te staan, en wordt gesterkt door directe monetaire sturing.

Inflatie wordt ongewenst en overbodig. De Monetaire Autoriteit wordt gebonden aan een nul-inflatie doelstelling. Zij krijgt echter veel doelmatigere en preciezere instrumenten tot haar beschikking, gebaseerd op “real-time” inzicht in de geldhoeveelheid, de geldomloop en de geldverdeling.

De Monetaire Autoriteit moet erop toezien dat er altijd voldoende geld aanwezig is, goed gespreid in de samenleving. Geld mag niet buitensporig ophopen. Daar is het niet voor bedoeld. Wie er teveel van heeft, moet het weer in omloop brengen, door het te investeren of uit te geven. Doet hij dat niet, dan houdt het monetaire stelsel de geldstroom kunstmatig op gang, door overmatig opgehoopt betaalmiddel terug te brengen in de basis van de economie. Geen rente en inflatie dus voor de virtuele euro. Wel monetaire belastingen, die de economie hoe dan ook en met precisie in gang houden, opdat wij onze welvaartspotenties ten volle kunnen ontplooien, en bestaanszekerheid kunnen bieden aan eenieder, naarmate onze welvaart dat dragen kan.

Is dat eerlijk?

Wie succesvol is, en veel geld verdient zou kunnen denken dat dit oneerlijk is. Maar bedenk, de virtuele euro voegt een betaalmiddel toe. Wie straks veel geld heeft kan het net als nu, beleggen of uitlenen aan een bank. Dat verandert niet, buiten dan dat de bank verplicht wordt om de risico’s daarvan inzichtelijk te maken, en dat de overheid verliezen niet meer opvangt. Daarnaast komt de nieuwe en veiligere mogelijkheid om vermogen aan te houden in digitaal chartaal overheidsgeld. Zonder rente en zonder risico, maar alleen in die mate die goed is voor het algemeen belang.

Conclusie

Hoogste tijd dat het probleem van ons geldsysteem bij de wortel wordt gevat, en opgelost. Dan is ons geldstelsel eerlijk, simpel, veilig, bestuurbaar en stabiel te maken. Een maatschappelijk dienend geldstelsel wordt dan vanzelfsprekend, en een leefbare menselijke planeet een haalbaar ideaal.

Leerboeken typeren geld doorgaans met de woorden: rekeneenheid, ruilmiddel en oppotmiddel. Dat is merkwaardig. Een korte analyse mag illustreren hoe weinig verhelderend deze begrippen zijn in verband met geld, en dat er veel betere begrippen voor handen zijn.

Rekeneenheid?

De eenheid waarin wij plegen te rekenen is het cijfer 1. Dit cijfer en dus de rekeneenheid is voor geld niet speciaal onderscheidend. Wel onderscheidend is dat geld een waarde-eenheid vestigt binnen een gemeenschap. Anders dan het cijfer 1 is dat geen objectief maar een arbitrair gegeven; een conventie.

Waarde-eenheid

Geld is primair een conventie op basis waarvan verschillende zaken op basis van hun waarde vergelijkbaar worden. Als deze arbitraire waarde-eenheid gevestigd is kan al wat waarde heeft en overdraagbaar is als ruil- of betaalmiddel gaan fungeren. Op basis van de waarde-eenheid kan immers worden bepaald hoeveel van welk goed te ruilen is voor een ander goed, of te gebruiken is ter betaling van een bepaalde schuld. Al deze goederen plegen wij echter geen geld te noemen; hooguit ruilmiddel.

Ruilmiddel?

Onder een waarde-eenheid is nagenoeg alles als ruilmiddel te gebruiken. Dit woord is dan ook weinig onderscheidend voor geld, en zelfs geheel ontoepasselijk. Gebruik van geld bewerkstelligt dat er juist geen ruil plaats vindt. Door betaling van een geldsom hoef je niet te ruilen en heb je geen ruilmiddelen nodig. Je betaalt met geld. De ontvanger verkrijgt daardoor bepaalde betaalkracht die hij later zelf kan gebruiken. Betaling met geld is geen ruil maar een overdracht van betaalkracht. Het woord ruilmiddel zou in verband
met geld juist vermeden moeten worden. Alles behalve geld is ruilmiddel.

Geld is een bijzonder soort betaalmiddel dat in haar zuivere abstracte vorm zelf geen waarde heeft, maar zuivere betaalkracht belichaamt, die ook op later moment kan worden gebruikt. Digitalisering maakt het mogelijk dat het geld in de praktijk deze zuivere abstracte vorm gaat aannemen.

Oppotmiddel?

Wie ter betaling geld ontvangt wil natuurlijk dat hij gelijke betaalkracht kan gebruiken als hij ter betaling ontvangen heeft. Zou die betaalkracht in de loop van de tijd afnemen, dan zou hij achteraf een te lage prijs hebben gerekend. Voor geld is het dan ook gewenst dat het zijn betaalkracht behoudt. Dat is geen vanzelfsprekendheid. Sinds de oudheid is bekend dat de mens zelf verantwoordelijk is voor de geldigheid en betaalkracht van geld (Aristoteles, Ethica, 1133). Geld is een menselijke uitvinding en bijgevolg ook een
menselijke verantwoordelijkheid. Een die ze bewust en bekwaam en maatschappelijk verantwoord moet gaan dragen.

Verantwoord beheer

Het kunnen oppotten van geld is dan ook geen intrinsieke kwaliteit van geld maar een praktisch en ethisch imperatief voor een goed geldstelsel. Het behoud van die betaalkracht komt aan op een goed en maatschappelijk verantwoord beheer van dat geldstelsel.

In de opinie van veel economen wordt geldschepping door de overheid steevast geassocieerd met inflatie, en zelfs hyperinflatie. Deze opinie is echter niet op feiten is gebaseerd.

In de opinie van veel economen wordt geldschepping door de overheid steevast geassocieerd met inflatie,
en zelfs hyperinflatie. Deze opinie is niet op feiten is gebaseerd. Met betrekking tot de Nederlandse staat
is geen moment aan te wijzen van overmatige geldschepping door of vanwege de overheid. Ook de
internationale voorbeelden die dikwijls worden aangehaald, zoals de Duitse hyperinflatie tijdens de
Weimar-republiek, en de inflatie van het Franse en het Amerikaanse revolutionaire papiergeld, zijn niet
toe te schrijven aan onverantwoorde geldschepping door de uitgevende overheid.

Duitse hyperinflatie

De Duitse hyperinflatie was geen gevolg van monetaire overheidsbemoeienis maar van het gebrek
daaraan. Duitsland was als verliezer uit de eerste wereldoorlog gekomen. Het was onder internationaal
financieel toezicht en buitensporige sancties geplaatst. De geallieerden dwongen de Duitse staat
bovendien haar invloed op de Reichsbank op te geven. Dit gebeurde in mei 1922. Het monetair beheer
was toen geheel aan de markt. Zarlenga (2002) beschrijft wat vervolgens gebeurde.

Duitse banken gingen excessief veel bankbiljetten drukken. Dit gebeurde met toestemming van de toen
volledig private Reichsbank. Die bank ondersteunde dit zelfs door het commerciële bankgeld vrijelijk voor
Reichsmarken in te wisselen. De door jan-en-alleman gedrukte biljetten werden zo gelijk gesteld met de
officiële munt. Dat trok valutaspeculanten aan. Die speculeerden op de evidente verdere verzwakking van
de Reichsmark. Massaal verkochten ze Reichsmarken die niet bestonden. Uitgerekend de private
Reichsbank hielp hen daarbij. Onder andere via ongehoorde kredieten voor die speculatie, waarmee de
private Reichsbank de geldontwaarding verder aanjaagde. Terugbetaling kostte de speculanten dankzij de
inflatie maar een schijntje. De woekerwinst staken ze intussen in de eigen zak. De Reichsmark ging ten
onder. Het Duitse volk en de Duitse staat raakten in deplorabele toestand.

De hyperinflatie werd beteugeld toen de Duitse staat orde op zaken stelde. Een nieuwe munt (de
Rentenmark) werd ingevoerd. De vrije inwisseling van privaat geld werd afgeschaft. Er kwamen restricties
op valutatransacties en kredietverlening daarvoor. Speculanten kwamen in het nauw en de hyperinflatie
kwam tot een einde.

Net als nu was er bij de Duitse hyperinflatie geen overheid die de geldpers bediende. Die overheid was
juist helemaal buiten spel gezet. Het waren banken die de geldomloop deden exploderen. De Duitse
hyperinflatie leert vooral wat er gebeurt als de overheid haar monetaire verantwoordelijkheid geheel
verzaakt. Het toont ook hoe weinig gedisciplineerd de private financiële sector is.
Het zou prudent zijn als economen hieruit hun lessen leren en zich ervan onthielden de overheid
stelselmatig onterecht te belasteren.

Revolutionair papiergeld

Ook de inflatie rondom het revolutionaire papiergeld is niet toe te schrijven aan overmatige
geldschepping door desbetreffende overheden.

Het papieren overheidsgeld van de Franse revolutie (assignats en mandats) werd van buitenaf
ondermijnd. Met name vanuit Londen werd het massaal vervalst. Inflatie van Frans revolutiegeld is
hoofdzakelijk daaraan te wijten. In 1795 circuleerde er twee keer zoveel valse biljetten als echte (Dillaye,1877). De inflatie kwam niet door een overheid die te veel geld drukte. Het was het gevolg van monetaire
oorlogsvoering tegen die overheid.

Hetzelfde geldt voor het Amerikaanse revolutionaire geld (de continental currency). Uitgifte hiervan door
het Amerikaans congres ging zeer beheerst. De inflatie die uiteindelijk optrad kwam door massale
vervalsing door de Engelsen (Franklin 1819; Schuckers 1874). In de strijd met Engeland is de continental
currency ten onder gegaan. Maar de Verenigde Staten hebben er wel hun onafhankelijkheid aan te
danken.

Nederland

De Nederlandse overheid heeft in het verleden geld geschapen, met name in de vorm van munten en
muntbiljetten. Daarbij heeft ze zich nimmer schuldig gemaakt aan overmatige geldschepping. Het
Nederlandse bankwezen heeft daarentegen een beduidend ongunstiger staat van dienst (Van Egmond
2015). Op monetair gebied is de Nederlandse overheid geen overmatigheid, maar te grote
terughoudendheid te verwijten, die thans zover is doorgeslagen dat zij volgens de ECB niet eens meer
geldscheppende instelling is.

Het verzaken door de overheid van geldschepping is ook niet terug te voeren op enig moment in de
geschiedenis van onverantwoorde overheidsgeldschepping. Het is terug te voeren op onderhandelingen
tussen de overheid en de centrale bank die zich in Nederland rond 1900 voltrokken. In ruil voor
winstdeling en renteloos krediet van de centrale bank zag de overheid af van uitgifte van haar eigen
muntbiljetten (De Jong 1960). Een onderhandelingsresultaat dat we met de kennis van nu en van de
sindsdien aanhoudende monetaire onevenwichtigheid enkel kunnen betreuren.

Leren van het verleden

In 1895 schreef monetair historicus Del Mar:

“As a rule, political economists (...) do not take the trouble to study the history of money; it is much easier to imagine it and to deduce the principles of this imaginary knowledge.”

De afgelopen eeuw is in dit opzicht weinig vooruitgang geboekt. De diagnose van Del Mar is
nog steeds actueel. Dit tot grote maatschappelijke schade, een gebrekkig geldstelsel en een overheid die
haar monetaire verantwoordelijkheid verzaakt.

Het is hoog tijd dat de overheid zich te weer stelt tegen de kwalijke laster waarmee ze wordt overladen
en zich niet langer ervan laat weerhouden haar monetaire verantwoordelijkheid te nemen.
De Weimarhyperinflatie illustreert wat er gebeurt wanneer marktkrachten en speculanten het geldstelsel
onbelemmerd beheersen. De maatregelen die een einde maakte aan deze monetaire rampspoed
illustreren hoe een overheid monetair orde op zaken kan stellen, ongehinderd door belangen en
invloeden vanuit het buitenland.

De associatie van overheid en hyperinflatie is onterecht en onjuist. Zinniger is het om inflatie en
hyperinflatie te associëren met situaties waarin marktkrachten en speculanten vat krijgen op het
geldsysteem. Op basis van de monetaire geschiedenis moeten we concluderen dat de overheid eerder
geneigd is te weinig geld te scheppen en haar monetaire verantwoordelijkheid te verzaken. Ze blijkt
aansporing te behoeven haar monetaire verantwoordelijkheid te leren kennen en te gaan nemen.

Literatuur

Del Mar, A. (1895), History of Monetary Systems.

Dillaye, S. (1877), Assignats and Mandats: A True History, Philadelphia: Henry Carey Baird.
https://archive.org/stream/moneyandfinance00dillgoog

Egmond, N.D. van, B.J.M. de Vries (2015), Werkdocument Duurzaam financieel-economisch systeem
(Universiteit van Utrecht in het kader van het Sustainable Finance Lab).

Franklin, B. (1819), The Posthumous and Other Writings of Benjamin Franklin, London: A.J. Valpy, (The
writings of Benjamin Franklin).

Jong, A.M. de (1960), De wetgeving nopens de Nederlandsche Bank 1814 – 1958, Martinus Nijhoff, ’s-
Gravenhage.

Schuckers, J. (1874), Finances and Paper Money of the Revolutionary War, Philadelphia: John Campbell
Zarlenga, S. (2002), The Lost Science of Money. The Mythology of Money – the Story of Power. American
Monetary Institute (AMI).

Bankiers en academici stellen dat het belangrijk is dat er marktwerking plaatsvindt bij geldschepping om voor een passende geldhoeveelheid te zorgen. Waarom is dit niet waar?

De vraag naar geld (1)

Geld is geen gewoon product. Van geld hebben velen nooit genoeg. Dat is een ongewone eigenschap. Vergelijk het bijvoorbeeld met brood. Met een bepaalde hoeveelheid is de dagelijkse broodbehoefte van
iedereen te bevredigen. De vraag naar brood is daarmee begrensd. Brood heeft bovendien een kostprijs.
Het aanbod zal opdrogen naarmate de marktprijs onder deze kostprijs daalt. Het is dan ook verdedigbaar om de markt voor brood te concipiëren als een markt van vraag en aanbod, waarbij de marktprijs het
volume intermedieert. Voor geld ligt dat echter minder voor de hand.

De potentiele vraag naar geld is onbegrensd. Als gezegd, velen hebben er nooit genoeg van. De kosten van vervaardiging en beschikbaarstelling van geld zijn gering. Bepaling van de optimale geldhoeveelheid
op basis van een vraag-aanbod-marktprijs-mechanisme zou dwaas zijn. Het zou leiden tot een overvloed van geld, tegen een zeer lage prijs. Dit is bovendien een zelfversterkend proces. De vraag naar brood
wordt met broodschepping bevredigd. De vraag naar geld daarentegen wordt met geldschepping steeds groter. Bediening van de vraag naar geld doet de prijzen (van alles behalve geld) stijgen, waardoor ook anderen behoefte krijgen aan meer geld. Toepassing van het vraag-aanbod-marktprijs-mechanisme op geld leidt aldus tot hyperinflatie.

De vraag naar geld (2)

De vraag naar geld kan ook anders worden bekeken. Het gaat dan om de vraag die het publiek heeft naar reëel geld (zie hoofdstuk 1) dat rendementloos, stabiel en veilig is. Deze vraag wordt niet beheerst door de prijs van geld, maar door de nutsfunctie ervan: betaalmiddel, buffer en zekerheid. Thans is deze
geldvraag onbediend. Het veilige geld bestaat niet, althans niet in handzame digitale vorm. Bovendien ondermijnt de overheid deze geldvraag door subsidiering van bankkrediet en bancaire kredietverlening.
Het publiek wordt niet gevraagd te kiezen tussen risicovol en risicoloos. Het gehele geldsysteem is door
nalatigheid van de overheid risicovol; het publiek heeft geen keuze.

De vraagzijde speelt in de overweging van Ons Geld een belangrijke rol. Deze begint ermee dat het geldstelsel haar basis dient te hebben in een risicoloze publieke geldsfeer, en dat het publiek de keuze
moet hebben tussen veiligheid en risico. Op die basis valt de optimale publieke geldhoeveelheid door
vraagsturing te bepalen.

De vraag naar krediet

Net als bij geld is de potentiele vraag naar krediet ongelimiteerd. Ook de kostprijs van krediet kan nagenoeg nihil zijn. Wel kan bij krediet sprake zijn van rente, wat een sturende factor is voor de effectieve vraag naar bancaire kredietverlening. Deze rente wordt in hoge mate beheerst door beleid en profijt-
verwachting van het bankwezen. Aldus stuurt het bankwezen zelf in belangrijke mate de vraag naar bancaire kredietverlening.

Bancaire kredietverlening kent net als geld, een zichzelf versterkend proces, waarbij toenemend kredietaanbod de kredietvraag opdrijft. Dit is bijvoorbeeld te zien op de huizenmarkt. Het kredietaanbod doet de huizenprijzen stijgen, waardoor de vraag naar krediet meestijgt. Als de banken dat willen groeit
het kredietaanbod elastisch met de vraag mee. De rente kan daarbij stijgen of dalen, al naargelang de profijtverwachting van de banken.

Het kredietaanbod

Het bancaire kredietaanbod wordt thans niet bepaald door de beschikbaarheid van geldmiddelen voor
gelduitlening. Dit vanwege bancaire geldschepping. Het kredietaanbod wordt bepaald door profijt-verwachting en beleid van het bankwezen. Het wordt top-down aangestuurd vanuit de bank-hoofdkantoren. Eerst wordt krediet verleend, daarna wordt gezocht naar de middelen ter financiering
ervan. De kredietverlening voedt daarbij de financieringsbronnen voor bancair krediet. Het
zelfversterkend effect van kredietexpansie cumuleert daarmee binnen het bankwezen en kan zelfs
worden geëxploiteerd door dat bankwezen.

In de boom-tijd wordt de kredietvraag stelselmatig opgedreven. In de bust-tijd wordt de kredietvraag
door het bankwezen eenvoudigweg niet bediend. Dit was bijvoorbeeld terug te zien in de periode na de crisis. Ondanks brede beschikbaarheid van geldmiddelen voor uitlening stagneerde de kredietverlening
aan het MKB. De oorzaak lag niet in een vraaguitval, en ook niet in een gebrek aan rendement zoekend
kapitaal, maar in het beleid en de profijt-verwachting van het bankwezen. Dit noopte de overheid zich actief in te laten met MKB-kredietverlening en de daarmee gepaard gaande risico’s.

De veronderstelling dat kredietvraag en -prijsvorming in het huidige stelsel optimaal allocerende bottom-
up factoren zijn, is een misvatting. Bancaire geldschepping is thans niet vraag-gestuurd en
gedecentraliseerd, zoals door economen wel wordt beweerd. Het aanbod is in hoge mate autonoom en leidend en wordt vanuit de bank-hoofdkantoren centraal gestuurd. Verdere consolidatie van het
bankwezen betekent verdere concentratie van de macht om het kredietaanbod te beheersen en daarmee, zeker in de boom-tijd, de kredietvraag te sturen.

Marktwerking in kredietverlening

Ons Geld opteert voor meer evenwichtigheid en meer marktwerking ten aanzien van kredietverlening. Het publiek, in de hoedanigheid van gelduitlener, dient meer invloed te krijgen. Het dient inzicht te
hebben in de aanwending van haar uitgeleende geldmiddelen en de risico’s daarvan. Op basis daarvan kan de prijs van krediet, de rente, dan worden bepaald. Banken kunnen daarbij een intermediaire rol vervullen. Zij brengen vraag naar, en aanbod van gelduitlening dan bij elkaar en maken risico’s inzichtelijk.
De rente is daarbij een weerspiegeling van de bij desbetreffende gelduitlening horende risico’s, en van de
vraag en het aanbod van geld met die bestemming en dat risico-profiel.

De overheid heeft daarbij een belangrijke rol te vervullen. Zij moet zorgen voor een voldoende en goed
gespreide geldomloop (digitaal chartaal overheidsgeld) zodat het publiek voldoende geldmiddelen heeft om een deel daarvan risicovol uit te kunnen lenen. Bovendien dient ze een gelijk speelveld te creëren voor gelduitleners. In beide schiet de overheid thans ernstig tekort. Ze verzuimt te zorgen voor de geldomloop
en bestendigt een vorm van bankentoezicht, depositogaranties en centrale rentesturing die de
mededinging op de kredietmarkt beperken, verhinderen en vervalsen.

Documentatie

Ons Geld publiceerde de volgende achtergronddocumenten: