Binnenkort is er in Zwitserland een nationaal referendum, geïnitieerd door de zustervereniging daar: "Vollgeld Initiative". Er zal gestemd worden over de mogelijkheid een Ons Geld-achtig systeem te implementeren. Reden voor onze onderzoeker Edgar Wortmann om de voorstellen te vergelijken.

Huidige situatie in Zwitserland

De huidige Zwitserse constitutie verschaft de Confederatie (hierna ook ‘Bond’ of ‘Staat’) het exclusieve recht op uitgifte van munten en bankbiljetten. Monetair beleid (Geld- und Wahrungswesen) is constitutioneel opgedragen aan de centrale bank. Deze heeft daarbij het algemeen landsbelang te dienen. De centrale bank (hierna ook ‘nationaalbank’) staat onder toezicht van de Staat. Haar onafhankelijkheid staat constitutioneel kennelijk lager in de rangschikking dan de maatschappelijke verantwoording die ze verschuldigd is. De Zwitserse constitutie regelt ook de winstreserves en de winstuitkering van de centrale bank. Primair moet zij vanuit haar opbrengsten voldoende monetaire reserves opbouwen, die deels in goud worden aangehouden. Ten minste 2/3 van de winst dient zij uit te keren aan de kantons.

NL vergelijking

Van DNB wordt niet gevergd dat ze het algemeen landsbelang dient. Wettelijke doelstelling van DNB is handhaving van prijsstabiliteit, hetgeen een zeer ruim en voor interpretatie en manipulatie vatbaar kader is. Democratische controle van de taakuitvoering van de centrale bank is niet geborgd. DNB geeft primair uitvoering aan de werking van de Europese Unie en aan verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie.

Analyse VI-voorstel

Thans ressorteert het geldwezen onder de Bond. In de nieuwe situatie wordt de Bond verantwoordelijk voor de voorziening van de economie van geld en financiële diensten. Blijkens de toelichtingen wordt daarbij met name gedacht aan overheidsverantwoordelijkheid voor de betaalinfrastructuur. In de juridische analyse wordt als volgt gesteld: “Der Finanzmarkt wird zu einem Service Public gemacht, soweit der Versorgungsauftrag des Bundes dies erfordert.”

Dat laatste komt wat marktonvriendelijk over. Ik zie hier een verschil met onze opstelling. Wij zeggen dat de overheid enerzijds een veilige publieke geldsfeer en anderzijds gelijk en onvervalst speelveld moet bieden waardoor de kredietmarkt beter functioneren kan. Dit impliceert dat de 4e macht hiervoor de nodige monetaire ruimte moet verschaffen. En het verschaffen van die ruimte is m.i. wat VI in hoofdzaak bedoelt. Feitelijk liggen we hier niet ver uit elkaar. De stelling dat de kredietmarkt overheidsverantwoordelijkheid is gaat mij echter te ver. We kunnen volstaan te zeggen dat de overheid moet zorgen voor voldoende, stabiele en veilige monetaire ruimte voor de goede werking van de kredietmarkt.

Overheidsmonopolie op geldschepping

Thans is de Bond exclusief gerechtigd tot uitgifte van muntgeld en bankbiljetten. In de nieuwe situatie wordt dit opgerekt met giraal geld (Buchgeld, monnaie scripturale). Tegelijkertijd wordt het beperkt: het gaat alleen om de betaalmiddelen met de status van wettig betaalmiddel. Het overheidsmonopolie op geldschepping wordt dus beperkt tot schepping van de wettige betaalmiddelen.

Schepping van andere geldmiddelen wordt expliciet toegestaan, voor zover verenigbaar met de wettelijke opdracht van de centrale bank. Het mag de taakuitvoering van de centrale bank dus niet in de wielen rijden.

Tegoeden op betaalrekeningen

….Tegoeden op de betaalrekening van klanten maken geen deel uit van de bankbalans, en vallen niet in eventueel bankfaillissement. Banken moeten de betaalrekeningen buiten de eigen onderneming gaan plaatsen. In de toelichting wordt daarbij gesproken over verplaatsing naar Treuhandkonten (comptes de consignation). Het blijven dus girale tegoeden, d.w.z. geldvorderingen. De directe wederpartij doet echter niets met deze tegoeden, en heeft wellicht ook geen andere activiteiten dan houder en administrateur ervan te zijn. Deze situatie is vergelijkbaar met ‘depositobank’. Vertaald naar de NL situatie zou het er m.i. op neerkomen dat iedere bank een stichting derden gelden opzet waarin de betaalrekeningen van de bankklanten zijn ondergebracht. Deze stichting zou dan een zelfstandige ‘depositobank-vergunning’ moeten hebben bij DNB/ECB.

Voor zover de Treuhand goed geregeld is ligt daar dan geen partij-risico voor de rekeninghouder. Ze doet naar ik aanneem niets met het tegoed, ontplooit geen andere activiteiten en heeft 100% dekking in nationaalbanktegoed. Indirect risico is er echter wel op de positie van de nationaalbank en de betaalkracht van het tegoed. De nationaalbank staat zelf bloot aan marktrisico’s. Giraal geldtegoed is uiteindelijk afhankelijk van de positie van de nationaalbank als centrale wederpartij. Het girale geld steunt primair op haar kredietwaardigheid.

Convertering en conversieschuld

VI spreekt van convertering en bedoelt daarmee dat giraal geld de status van wettig betaalmiddel verkrijgt. Dit loopt samen met het buiten de bank plaatsen van girale betaaltegoeden. Ons Geld bedoelt met convertering de omwisseling van girale tegoeden door digitaal chartaal overheidsgeld. In onze conversie wordt geldtegoed omgezet in geldbezit. In de Zwitserse conversie wordt geldtegoed wettig betaalmiddel.

Het buiten de onderneming brengen van alle betaaltegoeden gaat ten koste van de centrale bankreserves van die banken. Aan te nemen is dat de ‘Treuhandkonten’ full reserve moeten zijn. Te verwachten is dat de banken extra van de nationaalbank zullen moeten gaan lenen. Aldus ontstaat er een conversieschuld van de banken bij de nationaalbank.

Onder de VI-conversie blijft giraal geld een geldvordering. VI spreekt wel van schuldvrij geld en volgeld, maar juridisch gezien blijft het schuldgeld. Via de nationaalbank staat het indirect ook bloot aan partij- en marktrisico’s.

Omvang van de conversie

VI beperkt de conversie tot betaaltegoeden (giraal geld volgens M1). Voor spaargelden laat VI de situatie ongewijzigd. Deze staan onverminderd bloot aan risico’s en blijven geborgd met depositogarantie. Het publiek, de overheid en de nationaalbank blijven ook bloot staan aan de ultieme risico’s daarvan….. Instorting van het bankwezen legt het betalingsverkeer dan wel niet direct plat, maar doet wel de monetaire buffers verdwijnen. Wij varen hier een andere koers. Wij leggen de lijn niet bij M1, maar bij de verwachting van de rekeninghouder. Onze conversie betreft in beginsel alle bancaire tegoeden waarvan in het verkeer wordt aangenomen dat het geld is. We komen daarmee uit op M2 (als indicator).

VI legt de nadruk op wettig betaalmiddel als het domein van het overheidsmonopolie. Wij enten het exclusieve overheidsdomein op de algemene publieke waarde-eenheid. Daarmee bereiken we een algehele ontvlechting van geld en bankbedrijf. Onder VI blijft deze vervlechting voor een groot deel in stand.

Marktwerking

Hoe groot de vraag wordt naar renteloos publiek geld(tegoed) is overigens nog te bezien. In de voorstelling van VI kunnen spaarders besluiten het geld op de betaalrekening te zetten. Maar waarom zouden ze dat doen als ze rente kunnen trekken met deposito-garantie? Het VI-voorstel stelt de betaalinfrastructuur veilig, maar maakt het publiek niet risico-bewuster.

Betaalrekeningen zijn thans doorgaans al renteloos. Onder de VI situatie is te verwachten dat er geen verschuiving plaatsvindt van spaar- naar betaalrekening.

VI fixeert op de betaalinfrastructuur en de kredietverlening. Ons Geld kijkt breder en met name naar verbetering van de werking van het financiële stelsel waarin perverse prikkels en beperking van de mededinging hoogtij vieren. Ons Geld claimt de structurele systeemfouten op te lossen. VI gaat minder ver. Ze maakt geldschepping dienstbaar aan de maatschappij en beschermt de betaalinfrastructuur. Banken blijven in staat om hun risico’s op het publiek af te wentelen. Bankfaillissement blijft een groot maatschappelijk probleem.

Positie van de nationaalbank

VI versterkt de positie van de nationaalbank. Het monetair beleid blijft daarbij dienstbaar aan het algemeen landsbelang. De nationaalbank stuurt de geldmassa, borgt het betalingsverkeer en voorziet de economie via financiële dienstverleners van de nodige kredieten. De opdracht aan de centrale bank wordt versterkt en geconcretiseerd. Het Bondstoezicht wordt geschrapt. In de plaats daarvan komt verantwoordelijkheid jegens de wet. De Bond kan de nationaalbank uitsluitend via wetgeving aansturen.

Rentebeleid van de centrale bank wordt constitutioneel vastgelegd. Er wordt dus niet geheel overgeschakeld op directe monetaire sturing. Er komt een hybride vorm van rentesturing en girale overheidsgeldschepping. In onze EU/ECB situatie lijkt mij iets dergelijks niet opportuun. Het zou de ECB nog onaantastbaarder en ondemocratischer maken dan ze nu al is. Met de huidige verdragsrechtelijke bepalingen lijkt het me beter toe te werken naar uitfasering van bankbiljetten en overstappen naar digitaal chartaal overheidsgeld. Dat kan de EU in recht en redelijkheid niet doen zonder heronderhandeling over en herijking van de verdragen. Monetaire sturing

In mijn voorstelling is het onwenselijk om de huidige indirecte monetaire sturing via het rentebeleid te handhaven. Die kan m.i. worden afgeschaft zodra de monetaire basis is verbreed tot M2 en bestaat uit digitaal chartaal overheidsgeld. De korte-termijn liquiditeitsverschaffing en bijbehorende rentetarieven lijkt mij dan geen taak meer voor een aan de overheid gelieerd orgaan. Rente niveau’s kunnen dan door marktwerking tot stand komen en weerspiegeling gaan geven van vraag, aanbod en risico’s. Dat lijkt mij een betere grondslag dan centrale sturing door een kleine groep mensen, die hier nagenoeg onverifieerbaar eigen voordeel bij kunnen hebben.

Directe monetaire sturing vereist dat niet alleen geldschepping maar ook elementaire fiscale bevoegdheden bij de 4e macht komen te liggen. Eens te meer is dat reden om die macht geen bank te laten zijn en ook niet als centrale bank (bank van de banken) te laten functioneren. Bond-bank-verhouding

VI eludeert op een 4e macht, en implementeert dit door de centrale bank een vergelijkbare positie te geven als het Bundesgericht. De nationaalbank blijft evenwel een onderneming en derhalve met haar eigen vermogen onderdeel van de financiële risico-posities die ze inneemt. Ze is niet inert voor (internationale) financiële marktkrachten. Theoretisch kan ze zelfs failliet gaan. De geldscheppingsbevoegdheid ligt immers bij de Staat. Deze wordt weliswaar (exclusief?) aan de nationaalbank geattribueerd, maar dat gebeurt binnen zeker mandaat (art. 99a lid 3), dat nog niet is geformuleerd. Dilemma’s daarbij lijken mij of de staat ook zelfstandige geldscheppingsbevoegdheid houdt en of ze harde marges inbouwt rond de geldscheppingsbevoegdheid.

VI benadrukt de onafhankelijkheid van de bank waarbij het dan gaat om electorale onafhankelijkheid. Onafhankelijkheid van het geld- en bankwezen is niet voorzien. Democratische verantwoording evenmin. Het is dan maar hopen dat dit in de nadere wetgeving wordt geregeld.

Schuldvrij geld

De nationaalbank wordt opgedragen nieuw geschapen geld schuldvrij in omloop te brengen, door verstrekking aan de overheid, dan wel direct aan de burgers. Daarbij wordt niet gezegd in welke vorm dit geld zich moet bevinden. Girale geldschepping is uiteraard het makkelijkst.

De centrale bank stort dan op de Treuhand-rekeningen van burgers en overheden, en crediteert bovendien de rekeningen van die Treuhand. Er vinden dan dus eigenlijk twee crediteringen plaats. Een in giraal geld bij een gewone bank en een in de rekening-courant van die Treuhand bij de nationaalbank.

Daarnaast mag de nationaalbank krediet blijven verlenen aan banken. Deze kredieten zijn aan termijnen gebonden, en moeten derhalve ooit worden terugbetaald. Overheid en burgers hoeven hun creditering dus niet terug te betalen. Banken wel.

Strikt genomen hebben we het hier niet over schuldvrij geld, daar dit geld als geldvordering (tegoed) bestaat. Overheid en burgers hoeven het echter niet terug te betalen, voor zover ze het van de nationaalbank ter beschikking krijgen. Het wordt dan dus wel als schuldvrij ervaren.

Reductie van de systeemschuld

De systeemschuld hoeft onder het VI plan niet verder te groeien maar kan dat wel. De nationaalbank kan immers kiezen voor monetaire verruiming middels leningen aan banken.

Dat neemt niet weg dat VI uitgaat van reductie van de systeemschuld, vergelijkbaar met de uitwerking van Positive Money. Afbetalingen van oude bankleningen kunnen (of moeten?) door de banken worden gebruikt om hun schuld aan de nationaalbank te verkleinen. De nationaalbank compenseert deze monetaire krimp door uitgifte van extra geldmiddelen.

Conclusie

Het VI-voorstel is goed doordacht en leerzaam. Het heeft duidelijk dezelfde intellectuele basis als Ons Geld. Verschillen zijn er ook. VI stelt veel vertrouwen in haar nationaalbank. Dat is vanuit Zwitsers perspectief misschien te verdedigen. Vanuit NL-perspectief lijkt het me de verkeerde weg. Dit niet alleen vanwege de verdragsrechtelijke en ondemocratische situatie rondom de ECB. Maar ook omdat een bank een marktdeelnemer/onderneming is en direct bloot staat aan markt- en partijrisico’s. Ik denk dat het juister is de 4e macht niet te concipiëren als bank maar als overheid, die als spelleider niet midden in, maar zo veel mogelijk buiten het spel staat. De 4e macht behoeft bovendien fiscale bevoegdheden en het zou merkwaardig zijn als deze bij een bank werden ondergebracht.

VI legt m.i. teveel nadruk op de electorale onafhankelijkheid van centrale bank. Transparantie en democratische verantwoording raken daarbij op de achtergrond en worden afhankelijk van nadere wetgeving.

VI zondert een deel van het algemene geldstelsel af, en brengt dat in de overheidssfeer. De grote problemen van het huidige financiële stelsel worden echter niet allemaal geadresseerd. Moral hazard, too-big-to-fail etc. blijven gewoon bestaan. De monetaire sturing blijft een kat en muisspel. Het risico-maskerend prudentieel toezicht blijft onveranderd. Risico’s kunnen onverminderd worden afgewenteld. Het publiek wordt niet aangezet om actief de risico’s te wegen. Het wordt, net als nu, over deze risico’s niet eens geïnformeerd; ze worden actief aan het zicht onttrokken.

Monetaire sturing onder VI krijgt een hybride karakter. Dat lijkt me risicovol. Overgang naar een publiek geldstel impliceert m.i. directe en robuste monetaire sturing. Dat moet geen krachtenspel zijn tussen markmachten, maar absolute onbetwiste en directe beheersing (zeggenschap) van de publieke geldhoeveelheid.

VI-heeft haar oriëntatie op de betaalinfrastructuur, de kredietverlening en de seignorage. Van een totale ontvlechting van de geldomloop en het bankbedrijf is geen sprake. Banken kunnen risico’s onverminderd afwentelen op publiek en overheid. Too-big-to-fail blijft een probleem. Het verschil is dat bankredding niet met geldlening hoeft te worden gefinancierd, maar met geldschepping.

Edgar Wortmann, 14 januari 2016